Cultuur

Bildtse burgemeesters in Domela syn tiid (3)

Edo Bergsma ston doadsangsten út (2)

Door de redactie van de Bildtse Post

In de forige ôflevering sâgen wij dat Bergsma (1892-1896) twee maanden na ’t útkommen fan syn brosjure over de útfoering fan de aarmewet in Frysland benoemd worde as burgemeester fan Enschede. In dut deel drie fan de sery leze wij hoe’t dat gaan is.

Edo Bergsma links op de ‘vélocipède’. (bron: Historisch Archief van de ANWB)

Deur Klaas Dankert - Na syn Bildtse perioade het Bergsma 36 jaar burgemeester fan Enschede weest. Hij het in 1904 nag al sollisiteerd na de post fan burgemeester fan Luwt, maar syn kollega út Hoorn kreeg de foorkeur. ‘Hooggeëerd door de geheele bevolking is de heer Bergsma steeds een burgervader geweest in den rechten zin van het woord”, skreef ’t Algemeen Handelsblad bij syn ôfskaid as burgemeester fan Enschede.

Naast ’t burgemeesterskap had hij nag ferskillende ere-funksys. Fan 1913 ant 1922 sat hij foor de Liberale Unie in de Eerste Kamer en hij het ok ’n jaar of wat foorsitter fan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten weest. En op 21-jarige leeftyd waar hij al ôffaardigde fan de ôfdelings Frysland en Grunningen fan de Algemene en Nederlandse Vélocipedisten Bond, de latere ANWB. 'n Jaar na de oprichting, in 1884 worde hij – ok burgemeester fan ’t Bildt dus -  foorsitter en die funksy het hij ant 1937 bekleed. In 2012 het de ANWB nag ’n tintoanstelling wijd an syn ‘Founding Father’ met as titel: ‘Edo Bergsma, Visionair en bruggenbouwer’.

Bij syn ôfskaid as burgemeester fan Enschede in 1932 sâg Bergsma met ’n sjoernalist fan de Telegraaf wiidwaidig werom op syn loopbaan. In ‘t intervjoe fertelt hij ok hoe’t hij burgemeester in Enschede worren waar. Ik siteer ’t artikel maar letterlik: ‘Welnu dan. Er was grote armoede en ontevredenheid, niet alleen in Het Bildt, maar in een groot deel van Friesland. De vlas- en cichoreiteelt, die anders veel arbeiders vroeg, was stilgelegd en er waren menschen, die al zeven maanden geen werk hadden gehad. De ondersteuningen waren schraal, de armmeesters waren wanhopig. De last was voor het toch al arme land niet te dragen en teneinde raad klopte men bij de regeering om steun aan. Toendertijd was mr. Sam van Houten minister van Binnenlandsche zaken. En die zeide in een rede in de Tweede Kamer: Ik zou wel eens willen weten, hoe het komt, dat er in Friesland armoede en onrust heerscht, terwijl men uit Overijsel niets hoort’.

Dut waar bij Bergsma tun ’t sere been. Hij fon dat hiermet Frise gemeentebesturen tekort deen worde. Doe is hij op ondersoek útgaan en hij skreef ’n brosjure. Op ’t omslag sette hij as motto de woorden die’t Sam van Houten sproken had.

Syn frynden beswoeren him om de brosjure niet út te geven. ‘Maar ik had een stijven Frieschen kop en dreef door.’ ’n Paar weken later ston de burgemeestersfakature in Enschede in de Staatscourant. Dat leken Bergsma wel wat en hij sollisiteerde. ‘Mijn vrienden jammerden al: zie je wel: nu wil je vooruit en door je koppigheid heb je ’t al bij voorbaat bedorven.’ Bergsma gong met load in de skoenen op audiînsy bij Van Houten. “Zoo, bent u mijnheer Bergsma? Nu moet u mij toch eens vertellen: u hebt die brochure geschreven; …. Geeft u me nog eens een nadere toelichting”. Drie kwartier lang heb ik alles nader toegelicht. En aan het eind van de audiëntie zei de minister: “Nu, ik ben blij u eens te hebben gesproken – dank u zeer”. Ja, maar excellentie, repliceerde ik, ik kwam hier toch eigenlijk niet om over die brochure te spreken; ik zou graag burgemeester willen worden van Enschedé. Bonjoer, mijnheer Bergsma, voegde de minister mij niet al te vriendelijk toe, en ik moest maken dat ik zijn kamer uitkwam….. Veel hoop werd me dus niet gegeven. Maar tien dagen later las ik in de krant, dat de heer E.J. Bergsma benoemd was tot burgemeester van Enschedé!’

Bergsma waar dus maar fier jaar burgemeester weest op ’t Bildt foordat hij naar Enschede fertrok, maar dat hadden wel fier enerverende jaren weest. At Bergsma de Telegraaf-sjoernalist fertelt over syn tiid in Enschede, over ’t probleem fan de illigale handel tidens de Eerste Wereldoorlog en de groate stakings in de tekstylindustry in Twinte, feronderstelt de sjoernalist dat hij ’t doedestiids op ’t Bildt seker heel wat makliker had had. ‘Beter? Daar hebben we doodsangsten uitgestaan. …. Het was in den tijd van Domela Nieuwenhuis. De menschen hadden honger en waren verbitterd; er was opstandigheid tegen de groote boeren; telkens werd er geschoten en geregeld stonden boerderijen in brand. …. Wij hadden toen nog niet de Vuurwapenwet en ieder had zijn revolver. Op een keer kwam ik bij iemand thuis. Hij noodigde mij op een stoel, ging zelf ook zitten, greep in zijn zak, legde een revolver voor zich op tafel, keek me dreigend aan en zei: “Nou burgemeester, als het moèt!” Ik greep ook in mijn zak, legde mijn revolver er naast en zei misschien nog dreigender: “Ja, als het moet!”. “Dan zullen we alle twee dat ding maar weer opbergen”, zei de oolijkerd – en de vrede was gesloten.’

 Nije week kom ik nag even werom op die skietpartijen en die brândstichting. Enne… Graag tot 24 novimber in de Van Harenskerk bij ‘Domela op ’t Bildt’.

Buienradar.nl


Laatste columns



Buienradar.nl