Nieuws

De reis van meester Swerms naar Algerije in 1925 (3)

Daar is de eenzaamheid van lucht en zand

Door de redactie van de Bildtse Post

Rin en Anne-Marie Krap deden een bijzondere ontdekking toen ze het ouderlijk huis aan de Statenweg in St.-Annaparochie opruimden, nadat hun ouders Arjen Krap en Koosje Krap-Swerms waren overleden. In de spullen die van ‘meester Swerms’ waren geweest – de hait van Koosje, de pake van Anne-Marie en Rin - vonden ze een dik notitieboek vol handgeschreven verhalen.
Een daarvan bleek wel heel speciaal: een verslag van zijn reis naar Algerije in 1925, helemaal op rijm geschreven. De Bildtse Post plaatst de komende weken delen uit dit unieke tijdsdocument.
Vandaag het derde deel.

AH Swerms op kameel met jonkie

Deze week is de woestijn het thema. Er staat een rit op een kameel op het programma. Meester Swerms beschrijft die ervaring uitgebreid. Op de foto zien we hem zitten op het dier dat hij uitgekozen heeft en aan de rand van de foto is nog net het jonge kameeltje zichtbaar dat bij zijn moeder drinkt.

Op de andere foto zien we op de achtergrond waarschijnlijk de ruïnes van Timgad. Deze stad werd in de 1e eeuw na Chr. door de Romeinse keizer Trajanus gesticht als militaire kolonie. Door de enorme oppervlakte en de goed bewaarde resten is het een zeer imposant geheel, waar meester Swerms bijzonder van onder de indruk was. De stad staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.

Toch kwam de slaap. De volgende morgen

Zou ons de beroemde kameelrit bezorgen

En ja, daar voor het hotel, geknield op de grond

De burlende beesten. Je zag even rond

Je zocht naar een schip, een schip der woestijn

Ik vond er een mooi in de kleur van konijn

Het had ook een klein jong scheepje, dus was het een wijfje

Een aardig beestje, met een donkerbruin lijfje

Daar ging de karavaan, de wieglende beesten

Schommelden voort maar verreweg de meesten

Waren wat lui. De mijne was altijd heelemaal achter

Ik dreef dus de kudde als een kameelenwachter

De kameel ’t levend schip dat door de zandzeebaren

Zijn koers houdt, rijk bevracht met ruige dikke haren

‘t Woestijnpaard dat in ’t zaal hem door natuur gewrocht

Zijn ruiter rustig voert en naar een sprietje zocht

De bultenaar die blij zijn zware last wil dragen

Maar niet de mensch, die ’t beest maar voort wil jagen

Zijn goedig schapenoog, dat waterdroppels lokt

Zijn lange zwanenhals waarin nooit d’adem stokt

Zijn fijne waterneus die bronnen ruiken kan

Zijn grootheid grooter dan een flink volwassen man

’t Gereutel dat hij steevast moedig hooren laat

Als iemand, wie dan ook, hem op de tenen staat

Daar ging de karavaan langs harde smalle paden

De palmen wuifden met hun vingerbladen

Door de bladen gluurde de lage zon. Misschien

Nee, straks zou z’ons níet door de vingers zien

Langs klei ommuurde tuinen, de groene lusthof door

De konijnkleurige volgde van verre het stoffige spoor

Het levenwekkend water uit wellen opgestegen

Stroomt als een beekje wat schuchter en verlegen

Het is zeer troebel, je zou kunnen zeggen grijs

Hoor, een eentonig gejiemel, een vreemde wijs

Klinkt op uit de verte. Een Arabier speelt

Wel aardig, maar ik denk dat het gauw verveelt

Je maakt een buiging, zeer beleefd maar erg onverwacht

Dat komt van het beest, dat te drinken tracht

Doch het “oesch” van den drijver en een paar ferme slagen

Doen j’echt in galop weer verder dragen

Hooge leemen huizen, donkre holen zonder ruiten

De bewoners armelijk en meestal buiten

Snoezige kinderen, leuke zwarte typen

Die onophoudelijk om een aalmoes riepen

De kromme bedelhand gestrekt, ai un sou

Je werpt ze vanuit de hoogte een geldstuk toe

Plotseling hielden de palmen op. De woestijn was hier

En de zonne, de stekel glimlachte fier

Hier was haar rijk, kom binnen kom binnen

Dan kan ik alvast met steken beginnen

Voor je en achter en overal de warmte, de hitte

Je hebt één geluk, je kunt rustig wat zitte

Op je bultig beest, op een oud rafelig kleedje

Je transpireert flink en je verschikt een beetje

De grond is hard - en droog erbij

Want het eerste gedeelte is louter klei

Maar dán komt ze. En zo schone kelen heffen aan

Het lied der woestijn. ’t Zijn de kamelen die liggen gaan

Maar de mijne in de kleur van konijn blijft sjouwen

Zij is waarachtig te lui om op te houen

Ho beest ho! ’t Is als de roepende in de woestijn

Zij gaat door, onverstoorbaar als een stoïcijn

Zoodat een Arabier mijn domme dier omhelzen moet

En dwingt tot knielen. Wat ze dan ook doet

Daár lag de wijde, wilde woestijn

Vol met zand niet grof en niet fijn

O Tuin van Allah, o mijd de woeste wildernis

Waarvan geen eind te zien of te bespeuren is

Daar ís geen schaduw of zij wordt gemáakt

Daar heerscht de zon, die altijd blaakt

Het zint meester Swerms helemaal niet dat de kamelen vlak vóór de woestijn moeten stoppen. Hij wil er juist ín. Hij wil wat zand meenemen in z’n zakdoek en dan zelf teruglopen. De Arabieren vinden dat niet een goed idee, maar hij is eigenwijs en loopt door.

Toen heb ik de woestijn gevoeld, aan m’n oogen, aan m’n voeten

En aan m’n heele lijf. Toen moest ik er voor boeten

O stekel, stekel, wat had ik toen aan jou een hekel

Onbarmhartig, zonder mededoogen daar uit den hoogen hemel

En vóór je steeds dat logge pootgewemel

Goddank, d’oase met z’n palmen. ’t Leed was nu geleden

O arme, de zon staat hoog en onversneden

Daverden de stralen, heet en zengend neer op ’t arme hoofd

Ik was gewaarschuwd maar ik had het niet geloofd

Je zag alleen de witte weg, je kroop langs de muren

De zon had het gewonnen, en ik genezen van m’n kuren

AH Swerms bij waarschijnlijk Timgad

Buienradar.nl


Laatste columns



Buienradar.nl