Nieuws

De reis van meester Swerms naar Algerije in 1925 (4)

Ho Swerms, dat gaat te ver, da’s mis

Door de redactie van de Bildtse Post

Rin en Anne-Marie Krap deden een bijzondere ontdekking toen ze het ouderlijk huis aan de Statenweg in St.-Annaparochie opruimden, nadat hun ouders Arjen Krap en Koosje Krap-Swerms waren overleden. In de spullen die van ‘meester Swerms’ waren geweest – de hait van Koosje, de pake van Anne-Marie en Rin - vonden ze een dik notitieboek vol handgeschreven verhalen. Een daarvan bleek wel heel speciaal: een verslag van zijn reis naar Algerije in 1925, helemaal op rijm geschreven. De Bildtse Post plaatst de komende weken delen uit dit unieke tijdsdocument. Vandaag het vierde en laatste deel deze serie.

Deel van route die Swerms aflegde door Algerije en Tunesië

In de laatste aflevering is meester Swerms aanwezig bij een feest dat om meerdere redenen een grote indruk op hem maakt. Het is in de buurt van Sidi Okba, een stadje bij een oase, dat genoemd is naar een krijgsheer uit de 7e eeuw, die er sneuvelde tijdens een veldslag. Ze bezochten er zijn grafmonument en de moskee die er gebouwd werd. Deze moskee is het oudste moslimmonument in Algerije. Daarna keren ze langzamerhand terug naar de kust en beschrijft hij landschappen die hem bekend voorkomen.

De mist blijft hangen in de nauwe straten

Zóó hebben we Sidi Okba verlaten

 

Deze dag was glorieus aan de rand der woestijn

Maar het slot, de nacht zou fantastisch zijn

 

Stel u voor een open plek onder de hooge palmen

Eenige lantarens die een weinig walmen

 

Rondom banken met kleurige kleeden belegd

Een slanke bruine hand schikt ze nog even terecht

 

En als de lieve maan

 Boven de palmen gaat staan

 Vangt het feest aan

O, manenacht die in uw stille luister

Zoo licht zijt, onder ’t palmenduister

O, tropennacht, zoo zwoel zoo teeder

Wij allen zitten plechtig nede.

En wachten op de wondere dingen

En op het zacht eentonig zingen

Dat op zal klinken in de klare nacht

We voelen reeds uw wondre macht

Hoor! Klare klagende klanken klinken

Hoor, grommende, rommelende trommen zinken

En rijzen. De bruine vingers vliegen

Over de trommen. Heupen wiegen

Waggelend, schuivend, met de handen wuivend

dansen de schone Oostersche meisjes

Deinend op d’eentonige klagende wijsjes

’t Is een sprookje uit duizend en één nacht

De stilte staat rondom en wacht

Een rythmisch bewegen van slanke leden

Mijn oogen zijn er in betoovring langs gegleden

O, schone vrouwen van ’t zonnige land

Aan u heb ik mijn hart verpand

Ho Swerms, dat gaat te ver, das mis

Je weet toch hoe de werklijkheid is

Och ja dat komt van de warmte, die maakt je week

Maar ’t is al weer over, ik ben weer op streek

Opeens zag de maan

Een fakir in zijn roode bournous staan

Hij danst, hij wringt, hij springt in ’t rond

Woest, wanhopig, met open mond

Hij wankelt, hij kan niet meer

Maar hupla, daar gaat ie weer

Nog wilder, schokkend met heel zijn lijf

Dan staat hij stil, roerloos, stijf

Hij neemt een priem en in een wip

Steekt hij die door zijn bovenlip

En nóg eén, zonder eén droppel bloed

Zie je zooiets geeft je dan weer moed

Gloeiende kolen neemt ie in z’n mond

Heb je ooit geweten dat zoo iets bestond

Een vuurrood ijzer likt ie zwart

Hij laat de vlammen lekken om zijn har.

O, wondermensch houd op het woest belet

Geef hem z’n franken en stuur ‘m naar bed

----------

De volgende morgen ging het naar de kust

Waar de blauwe zee tegen de bergen rust

Een lange tocht door groote oneffenheden

Waardoor wij op en neder reden

’t Leek veel op ’t Limburgsch heuvelland

Zeer vruchtbaar, maar aan de warme kant

We hebben d’Arabieren in de nek gekeken

maar dat deden z’ons ook is achteraf gebleken

Langs Eucalypten die hun blaadjes zoo zwierig droegen

Maar ons nog zwieriger in ’t aangelaat sloegen

Diep beneden een markt waar Arabieren krioelden

En natuurlijk weer in ’t diepste binnen woelden.

Een dorp met een Europeesch cachet

Als je niet op d’inlandsche woningen let

’t Was Zondag met een heusche pantoffelparade

Lichte kousen met zwarte plekken poetspommade

d’Arabieren deden mee. Hoe dat te verklaren?

Omdat ze allemaal gepantoffeld waren

Dan de kloof ,een majestueus gezicht

Van boven open en van onderen dicht

De bergen worden lager, veel grijs groene olijven

Die niet hinderen, omdat ze lager blijven

Kurkboomen, ontdaan van de bast, tot waar een man

Met uitgestrekte arm maar reiken kan

De koolzwarte stammen ontsieren ’t land

Als door een zengend vuur verbrand

De rivier een nietig ding volgt ons op de voet

Jammer dat ze ’t niet in werklijkheid doet

Het land wordt steeds lager. Daar is de zee

Maar och heden dat valt je niet mee

Hier is alle verheffing absent

‘Is of je bij ons in de Westhoek bent

Langs de kust bezoeken ze nog diverse steden en bezienswaardigheden, waaronder een ravijn met een apenkolonie.

Deze tocht beviel ons wel het allermeest

je was zoo gezellig bij je familie aan huis geweest

De volgende morgen nam de boot ons mee

Naar d’andere familie, in de lage landen bij de zee!

Wie wil reageren of vragen heeft aan Rin en Anne-Marie, kan mailen naar info@akatekst.nl of bellen naar 06 145 765 24.
Op de website van Anne-Marie staat nog meer informatie: akatekst.nl/meester-swerms

Treinkaartje van Swerms

Een folder van het hotel in Algiers.

Buienradar.nl


Laatste columns



Buienradar.nl