Nieuws

De reis van meester Swerms naar Algerije in 1925 (2)

Linnen pak, geen onderkleeren, evenmin een boord

Door de redactie van de Bildtse Post

Rin en Anne-Marie Krap deden een bijzondere ontdekking toen ze het ouderlijk huis aan de Statenweg in St.-Annaparochie opruimden, nadat hun ouders Arjen Krap en Koosje Krap-Swerms waren overleden. In de spullen die van ‘meester Swerms’ waren geweest – de hait van Koosje, de pake van Anne-Marie en Rin - vonden ze een dik notitieboek vol handgeschreven verhalen.
Een daarvan bleek wel heel speciaal: een verslag van zijn reis naar Algerije in 1925, helemaal op rijm geschreven. De Bildtse Post plaatst de komende weken delen uit dit unieke tijdsdocument.
Vandaag het tweede deel.

Een ansicht van de Sidi Okba moskee in Noord-Algerije.

Anne-Marie Krap: “De hitte was allesoverheersend en daar heeft meester Swerms het moeilijk mee. Dorst en het gebrek aan iets te drinken komen regelmatig voorbij op allerlei manieren. Tegenwoordig loopt iedereen rond met flessen water en is er overal airconditioning, maar in 1925 was dat een ander verhaal! In deze aflevering reist meester Swerms vanuit de havenstad Skikba met de trein naar Constantine, waar het reisgezelschap de stad verkent en afdaalt in de kloof van de rivier de Rhummel. Hij laat zijn schoenen poetsen door een klein jongetje (zie foto) en beschrijft de positie van de Algerijnse vrouwen.”

Toen kwam de tocht door ’t Afrikaansche land

Die zou eindigen in het woestijnsche zand


’t Was innig te zien hoe de cactussen hun wanstaltige leden

Naar ons ophieven toen we voorbij hen gleden


Die verminkte armen, dat wanhopig gebaar

Doe ’t níet, nú niet, je wordt er zoo naar


Het is véél te warm, het is geen seizoen

Vraag het ook maar aan die ouwe citroen


En de reddende vijg uit de bijbelsche landen

Gebaarde somber met zijn breede handen


De fijne eucalypten hingen droevig in wanhoop neer

Ze wísten, ze hoopten niet meer.


Een trotsche agave, zijn bloeistengel fier naar boven

Ze moeten maar vóelen, ze wíllen ’t niet geloven


Laat ze trekken naar die helsche woestijn

Het zullen denk ik wel Hollanders zijn.


Maar de goede bergen met hun verre blauwe koppen

Deden niets om de trein te doen stoppen

-----

Deze stad, weer warmer, is heel gewichtig nu

Want hier kom je in je tropische tenue


Linnen pak, geen onderkleeren, evenmin een boord

Zoo weinig mogelijk, dat is hier het toverwoord


Een doosje Purol steek je in je zak.

Een helmhoed op, dan ben je onderdak


’t Was middag, de zon scheen fel uit den hoogen

Toen wij ons al te saam naar de kloof bewogen


De kloof dat is hier de bezienswaardigheid

Zeer onschuldig, als je maar niet naar beneden glijdt


Van boven af zeer diep, van onderen zeer hoog

In de diepte een rivier, maar zoo goed als droog


Allemaal steen om je heen en natuurlijk bruggen

Nestelende duiven en aanhankelijke muggen


Sprinkhanen als vingers, vreemde vogelbeesten

Vunzige vochtige holen, voor lagere geesten


Geneeskrachtig water. Romeinsche werken

Die je als armzalige resten aan kunt merken


Zoiets als de Aareschlucht, maar veel grootscher

Veel imposanter, machtiger, maar niets doodscher


We zijn erdoor getrokken met onze transpiratie

We zijn het water wel gewend, wij Hollandsche natie


De verdere middag zag ons in d’Arabische wijk

Daar staat ieder en alles en nog wat te kijk


Donkere holen, dat zijn zoo hun huizen

En erin en ervoor als een troep witte muizen


d’Arabieren, ze scharrelen rond of rusten wat

Rusten, ja rustig rusten, zoo plat op hun .... mat


Dat is je ware, niet zoo Europeesch jagen en zwoegen

Je bent hier niet om te werken, maar voor je genoegen

-----

Ja, daar stond de heele bende nog bij ’t hôtel

De schoenpoetsers, de kwajongens met hun bruine vel


Maar een ervan was mijn speciale vriend

Hij had vanmorgen al een frank aan me verdiend


Een handdruk, zijn fez in de hand en ik m’n hoed

Mohammed jong, het beste, het ga je goed

-----

Eenige vrouwen zaten gezellig bijeen

Ieder gehurkt op een kleine blauwe steen


Vrijdags, hun Zondag, komen ze hier praten

Dan wordt geen enkle man hier toegelaten


Och dan hebben ze toch eens een verzetje

Want ’t leven lijkt hier voor de vrouwen geen pretje


Ja, er gebeuren hier gekke dingen

De man koopt een vrouw voor wat zilverlingen


Ze blijft gesluierd tot onder z’n dak

Daar blijkt het misschien een kat in de zak


Bij ons raak je zoo’n katje niet gemakkelijk kwijt

Doch dat is hier maar een kleinigheid


Zíj gaat terug naar de witte stegen

Hij koopt een ander, op hoop van zegen


Z’is koopwaar, ’t was een geschikt cadeau

Voor de filialen van de Albino*


Je krijgt een bon bij een half ons thee

En voor 100 bons neem j’een vrouwtje mee


We spraken een man sinds jaren getrouwd

Hij had zijn eega weggestuurd. Ze was te oud


Ze telden 25 regentijden

En hij mocht liever een van 15 lijden


We zijn nog even de groote Moskee binnengegaan

En hebben náast de heilige matten gestaan.


Treffend van eenvoud. Verbazend sober

Als een bloemenwei in October


Ze hooren in deze sobere omgeving

In deze weinig eischende samenleving

 

Eenvoudig als de lemen hutten in de woestijn

Zal ook het bedehuis van Allah zijn

*Albino: winkelketen opgericht in Groningen, bekend om de lage prijzen en het sparen voor cadeaus.

Wie wil reageren of vragen heeft aan Rin en Anne-Marie, kan mailen naar info@akatekst.nl of bellen naar 06 145 765 24.
Op de website van Anne-Marie staat nog meer informatie: akatekst.nl/meester-swerms

 



schoenpoetsertje

De kloof van Rhummel, Algerije. (foto: Rijksmuseum)

Buienradar.nl


Laatste columns



Buienradar.nl