Nieuws

Jaap en Nel Boonstra over hun ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog

‘Ons hait, broer en ‘n ônderdúkker waren in ‘t feld, doe’t de Dútsers begonnen te skieten’

Door de redactie van de Bildtse Post

Toen de Duitsers op 11 mei 1940 St.-Anne binnenreden, voelde de 6-jarige Jaap Boonstra instinctmatig aan: foute boel. Zijn ouders waren dan ook anti-Duits, net als het gezin van zijn latere echtgenote Nel Wijma, die bij Ouwe-Syl opgroeide. In beide gezinnen zaten tijdens de oorlogsjaren onderduikers. Jaap en Nel kregen vooral op het hart gedrukt te zwijgen: “Jim wete fan niks.”

Door Ellen Schat -  ‘Van niks weten’ is 75 jaar later bij Jaap Boonstra (1934) in Drachten niet aan de orde. Zijn herinneringen aan de oorlogsjaren zijn niet alleen haarscherp en beeldend, hij vertelt er ook nog eens makkelijk over. Als oplettend jochie stond hij op een aantal bepalende momenten tijdens de oorlog op het Bildt vooraan.

Zo zag hij op 11 mei de eerste Duitsers St.-Anne binnenrijden uit de richting van Berlikum. “Der binne se dan”, saai ôns hait. Ik sat bij him op ‘e stang fan de fyts.” Ook het ratelende geluid van een Canadese tank bijna vijf jaar later herinnert Boonstra zich als de dag van gister. Of het ‘opbrengen’ van de NSB’ers door de ondergrondse. “Wij songen deuntsys en se hadden de hannen in de nek.” 

Vijftien jaar geleden tekende Boonstra zijn herinneringen op, als onderdeel van zijn levensverhaal. “De pakesêgers froegen hyltyd na myn oorlogsferhalen en ik intresseer mij foor de geskidenis. Frijhyd is niet fergeefs en wij motte der bij stilstaan blive. De oorlog beleefde ik speulenderwiis en onbewust maar de angst foel ik ok nag.”

Brandende woning - Tot Boonstra’s meest indringende herinneringen hoort het brandende huis van burgemeester Kuperus aan de Westerdijk. De Duitsers steken het huis in brand, omdat Kuperus weigert mannen aan te leveren voor dwangarbeid op de vliegbasis. “Ons hait werkte bij de brandweer en most helpe met ‘t nat houwen fan de naastlêgende gebouwen. Ik mocht even op ‘t hiem komme, doe’t ik him eten brocht. Hij het later nag ‘n stik kees metnommen út de kelder, feerder waar d’r niet feul meer fan ‘t huus over.”

Bang is Jaap ook als Engelse jachtvliegtuigen het op de gasfabriek naast hun huis (nu de Wereldwinkel) hebben gemunt. “Niet na huus, waar myn eerste reäksy: wij lêge in de fuurliny. ‘n Buurfrou, Van Leer, trok ôns in ‘e huus. Der satten wij in de kelder.” Als het stil wordt, rennen Jaap en zijn zusje naar huis, waar moeder Boonstra hen in het onderduikhol in de werkplaats achter het huis stopt.

De komst van dat onderduikhol had Jaap eerder al opgemerkt. Na het ‘kloppen en boren’ was hem verteld dat er onderduikers kwamen. “Dat ik mij der over stil houwe most, dat wist ik doe al.”

Onderduikers in de werkplaats - In de schuilplaats - die bestond uit twee delen- zaten meerdere onderduikers in verschillende periodes, zoals de zoons van schilder Ganzinga en werkman Hitman, die bij de gemeente werkten. Overdag zaten de jongemannen meestal in hun schuilplaats, maar na het ingaan van de sperrtijd (acht uur) schoven ze aan bij de keukentafel. Er kwam dan immers geen bezoek meer.

Een keer of vier worden de onderduikers bijna ontdekt. Bij een razzia slaan de Duitsers het huis van de Boonstra’s over, maar wordt bij de buren de lambrisering vernield: op zoek naar buurman Geerts. Geerts zit op dat moment in het onderduikhol van de Boonstra’s. En tijdens een middagmaaltijd staat er ineens een Duitser op de stoep. “Dútsers! Mim sprong overeand en draafde naar achteren, de jongens satten in ‘n tel achter ‘t lúk. De Dútser froeg gelukkig alleen maar om ‘n planky foor ‘n nifelwerky.”

Normale en abnormale onderduikers - Bij Boonstra’s vrouw Nel Wijma (1933), die aan de Oudebildtdijk ten westen van Ouwe-Syl opgroeide, zaten ook regelmatig onderduikers. De spanning die dat gaf was voor de kinderen voelbaar. Op een zaterdagavond, als Nel en haar zus in de ‘tobbe’ zitten, staat er plots een Duitsers voor de deur. Moeder gooit de meisjes snel op het bed van de onderduikers, om te voorkomen dat ze die kamer doorzochten: “Jim wete fan niks!”

Nel en haar broertjes en zusjes weten van de ‘normale’ onderduikers. “Die satten ônder. Ons huus waar tidens de oorlog ferboud, met heel handig ‘n ekstra rúmte naast de slaapkamer. Kônst der soa onder ‘t bêd deur na toe krúppe”, weet ze nog. “Maar wat d’r op sôlder gebeurde, wisten wij niet, al hoorden en sâgen wij wel ‘s wat. Dat waren de abnormale ônderdúkkers”, zegt ze voorzichtig. Verzetsmensen bedoelt ze. “Die bleven nooit lang.”

Het hele gezin vlucht - Het herbergen van onderduikers wordt in het laatste oorlogsjaar erg gevaarlijk. Nel: “Ons hait, broer en ‘n ônderdúkker waren in ‘t feld, doe’t de Dútsers begonnen te skieten.” De onderduiker springt in de opvaart en verstopt zich tussen het riet, terwijl vader en zoon Wijma verklaren de man niet te kennen. ‘Folgens ôns komt hij út Froubuurt’, zeiden ze tegen de Duitsers. De Duitsers willen binnen via de huistelefoon hulp inroepen, maar dat lukt niet omdat de gezinsleden niet zeggen dat er een knop omgezet moet worden. Als de Duitsers later terugkomen en ze Nels broer niet zien, dreigen ze dat hij de volgende keer thuis moet zijn. “Wij mosten doe allegaar fluchte.”

Nel komt bij haar pake op Nije-Syl en is vreselijk ‘onwinnig’. “Bijtiden gong ik deur ‘t feld na huus, tun ‘t rút út sâg ik ‘t ôfwassen nag op ‘t ânrecht staan.” Als het ergste gevaar geweken is, komen moeder en jonge kinderen terug naar huis. Pas later komen vader en zoon Wijma weer boven water, die eerder al ondergedoken waren vanwege de dwangarbeid.

Witbrood en hutspot - De dagen rond de bevrijding weet Nel zich nog goed te herinneren. “‘n Stoet Dútsers trok saterdag 14 april over de dyk na Harlingen, ‘n armsalig gesicht. De ônderdúkkers bleven op beskúl in ‘t koalsaadfeld. ‘t Waar nag altyd gefaarlik fansels.” Twee dagen later ging Nel naar buiten en kreeg ze van Engelse soldaten witbrood met jam. “Wat waar dàt heerlik!”

Het was een traktatie na jaren van gebrek. “D’r waar in de oorlogsjaren niks te koop. Wij droegen ferstelde, keerde kleren. Freeslik! D’r waar ok gyn brandstof, sout en súkker.” Het eten uit de gaarkeuken die vanaf 1944 was ingesteld, was volgens Nel ronduit smerig. “Ik hoef nag altyd gyn hutspot.”

Christelijke plicht - Hoewel de vader van Nel aan het eind van de oorlog lange tijd erg ziek was, kwamen de gezinnen van Nel en Jaap al met al genadig door de oorlog. Toch blijft de periode een stempel drukken op het persoonlijk leven van Jaap en Nel. Zo is Jaap nooit naar Duitsland geweest en wil hij dat ook beslist niet. “Dat blyft moeilik.” 

Een groep meiden viert de bevrijding in St.-Annaparochie, aprl 1945. (foto: collectie Bildts Aigene)

Jaap en Nel Boonstra, thuis in Drachten. ”Ik hoef nag altyd gyn hutspot.” (foto: Ellen Schat)

Buienradar.nl


Laatste columns



Buienradar.nl